×

Column Adriaan Wolter

Wednesday June 24, 2026
Back to overview
Share this article
Als oprichter van AudiNed heb ik de afgelopen jaren met tal van stakeholders aan tafel gezeten. Om er enkele te noemen: Zorgverzekeraars Nederland, het Ministerie van VWS, de Vereniging van KNO-artsen en huisartsenorganisaties, de NVVS en FENAC. Ons doel was steeds hetzelfde: de kwaliteit van de audicienswerkzaamheden verdedigen en ervoor zorgen dat slechthorenden de best mogelijke hoorzorg kunnen krijgen. Want achter de cijfers en protocollen gaat het om mensen die dagelijks worstelen met gehoorverlies.
 
Wie slechthorend is, wil één ding boven alles: kwaliteit van leven. Spraak moeiteloos verstaan in een rumoerig restaurant of tijdens een werkoverleg. Een lage luisterinspanning, zodat je niet elke dag mentaal uitgeput raakt. Natuurlijk klinkend geluid, zonder blikkerigheid. Kortom: “Ik wil niet alleen horen, ik wil zonder moeite begrijpen.”
 
De zorgverzekeraar kijkt anders. Hun drijfveer is kostenefficiëntie: een voldoende functioneel resultaat tegen zo laag mogelijke kosten, met standaardisatie via categorieën en databases. De impliciete norm is dat de meeste mensen redelijk moeten functioneren: niet optimaal, maar voldoende.
 
De overheid denkt weer een laag hoger: publiek belang en systeemstabiliteit. Toegankelijkheid voor iedereen, solidariteit, maar wel beheersbare zorguitgaven. Iedereen moet basiszorg krijgen, zonder dat het stelsel onbetaalbaar wordt.
 
Deze drie belangen botsen onvermijdelijk. De slechthorende wil topniveau, het systeem financiert een basisniveau. Wat direct comfort oplevert voor de gebruiker — minder cognitieve belasting, minder sociale isolatie — is lastig in euro’s uit te drukken. Mentale vermoeidheid telt niet mee in een spreadsheet.
 
De hoortoestellendatabase is het compromis dat hieruit voortkomt. Het houdt de kosten onder controle en waarborgt basiszorg voor iedereen. Maar voor de slechthorende betekent het vaak een suboptimaal toestel. In een druk restaurant werkt het apparaat “redelijk”, maar het volgen van gesprekken blijft een inspanning. De verzekeraar zegt: je kunt ermee functioneren. De overheid zegt: iedereen heeft toegang. De gebruiker ervaart: het is beter dan niets, maar niet wat ik nodig heb.
 
Drie lagen bepalen de uitkomst. De overheid stelt de regels, de verzekeraar bepaalt de vergoeding en de slechthorende, en de audicien, dragen de dagelijkse gevolgen. De database is een balanspunt: noodzakelijk in een collectief stelsel, maar geen optimum voor iedereen.
 
De spanning is structureel. Wat optimaal is voor het individu, is bijna altijd duurder voor het collectief. Dat is de harde realiteit van solidariteit. De database lost het conflict niet op, maar beheert het.
 
En daar zit precies het probleem. Zolang vergoedingen blijven dalen, kosten stijgen en audiciensbedrijven niet worden gecompenseerd, kan de kwaliteit van hoorzorg niet langer worden gegarandeerd. Er zijn twee wegen vooruit:
Optie 1: Haal hoortoestellen volledig uit de basisverzekering. Net als bij brillen legt de overheid de verantwoordelijkheid bij de burger. Wie meer wil, betaalt meer: eerlijk, transparant en zonder bureaucratische bemoeienis.
 
Optie 2: Behoud een vaste basisvergoeding, maar schrap de protocollen. De burger krijgt een vast bedrag en mag vrij bijbetalen voor een beter toestel, zonder ingewikkelde regelgeving, zonder gedoe. Simpel en rechtvaardig.
 
Beide opties hebben één ding gemeen: vertrouw de burger. Vertrouw de audicien. En erken dat het huidige systeem zijn grenzen heeft bereikt. Voor wie denkt dat minderbedeelden in Nederland geen toegang hebben tot goede hoorzorg: dat klopt niet. Nederland doet het op dit gebied juist beter dan veel andere landen.
 
Adriaan Wolter